Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 januari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een 46-jarige verdachte die werd veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn 16-jarige stiefdochter, zoals omschreven in artikel 249 lid 1 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte de getuigenverklaringen van zijn tante en een oud-collega niet had toegelaten, omdat deze verklaringen niet relevant zouden zijn voor de strafzaak.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep van verdachte werd derhalve verworpen. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2023 ongewijzigd van kracht. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 januari 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.