ECLI:NL:HR:2025:897

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
23/00327
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29f lid 1 AWRArt. 8:75a AwbArt. 8:112 lid 2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad veroordeelt Staatssecretaris in proceskosten na intrekking cassatieberoep

Belanghebbende had een verzoek ingediend om de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de proceskosten van het cassatieberoep dat door de Staatssecretaris was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Staatssecretaris had zowel een principaal als een incidenteel cassatieberoep ingesteld, maar het principale beroep werd later ingetrokken.

De Hoge Raad oordeelde dat door de intrekking van het principale beroep het incidentele beroep verviel, omdat dit alleen relevant was indien het principale beroep tot vernietiging van het hofuitspraak zou leiden. Hierdoor bleef de uitspraak van het hof in stand.

De Hoge Raad besloot de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, waarbij rekening werd gehouden met de samenhang met een andere zaak. Voor het incidentele beroep werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat dit beroep verviel.

De kostenvergoeding werd vastgesteld op de helft van € 3.628, namelijk € 1.814, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 13 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende na intrekking van het cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/00327
Datum13 juni 2025
ARREST
op een door [X] (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek als bedoeld in
artikel 29f, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

1.Verzoek om veroordeling in de proceskosten

1.1
De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2022, nr. BK-ARN 21/01828.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht en heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend en in het principale beroep een conclusie van dupliek.
De Staatssecretaris heeft nadien het beroep in cassatie ingetrokken.
1.2
Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.R. Herreveld, heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.
1.3
De Staatssecretaris heeft naar aanleiding van dit verzoek een verweerschrift ingediend.

2.Het incidentele cassatieberoep

2.1
Het principale beroep in cassatie leidt – vanwege de intrekking ervan – niet tot vernietiging van de uitspraak van het Hof.
2.2
Het incidentele beroep in cassatie is alleen ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie zou leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep in cassatie, gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb, vervalt.

3.Beoordeling van het verzoek

Wat betreft het door de Staatssecretaris ingetrokken principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 23/00328 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Aangezien het incidentele beroep in cassatie is vervallen, ziet de Hoge Raad geen aanleiding daarvoor een proceskostenvergoeding toe te kennen.

4.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.628, oftewel € 1.814, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.