Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:895

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
10 juni 2025
Zaaknummer
24/00405
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:96 BWArt. 312.2.2 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep medeplegen diefstal met geweld kostbare sieraden in Uden

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van diefstal met geweld van kostbare sieraden, sleutels en een tas in Uden in 2020. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding wegens vermogensschade op grond van artikel 6:96 BW Pro.

Het gerechtshof Den Haag had de verdachte eerder veroordeeld en de omvang van de schade vastgesteld op €182.884, de waarde van de gestolen sieraden uit de Verenigde Staten. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar vond dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen diefstal met geweld en de vastgestelde schadevergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00405
Datum10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 februari 2024, nummer 22-002166-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat R.A. Korver een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 juni 2025.