Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 57.361 gram hasj in zijn woning, in strijd met artikel 3.C van de Opiumwet. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld, maar het cassatieberoep richtte zich onder meer op de hoogte van de opgelegde taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis.
De advocaat-generaal adviseerde de Hoge Raad om het beroep te verwerpen, behalve wat betreft de taakstraf en vervangende hechtenis, die volgens hem verminderd moesten worden tot de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het hofsoordeel niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen over het opzet nader te motiveren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de taakstraf van 240 naar 228 uren en de vervangende hechtenis van 120 naar 114 dagen. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd tot 228 uren en de vervangende hechtenis tot 114 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.