Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
3 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting. De verdachte stelde in cassatie dat hem niet het recht was gelaten het laatst te spreken tijdens de terechtzitting in hoger beroep, zoals voorgeschreven in artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bleek dat na het geven van het recht aan de verdachte om het laatst te spreken, de advocaat-generaal repliek voerde en de raadsman dupliek gaf, zonder dat de verdachte opnieuw het laatste woord kreeg. Dit is een schending van het wettelijke voorschrift dat op straffe van nietigheid geldt.
De Hoge Raad oordeelt dat deze schending van het recht van het laatst spreken niet kan worden hersteld en vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor zover het betreft de tenlastelegging waarop dit betrekking heeft. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing. Het overige cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het recht van het laatst spreken en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.