ECLI:NL:HR:2025:736

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
23/01593
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 10a.1.2 OpiumwetArt. 10.4 OpiumwetArt. 10.5 Opiumwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek getuige en verwerpt cassatie in zaak medeplegen cocaïne-invoer

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het vervoeren en invoeren van cocaïne. Het hof had het verzoek van verdachte om een getuige à décharge te horen afgewezen omdat aannemelijk was dat dit de verdediging niet zou schaden.

In cassatie stelde verdachte meerdere klachten in, waaronder dat zijn gedragingen geen voorbereidingshandelingen opleverden en dat het verzoek tot het horen van een getuige ten onrechte was afgewezen. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig is om de vragen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling te beantwoorden. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor verdere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Caminada op 13 mei 2025.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof in de zaak van medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïne-invoer.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01593
Datum13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, nummer 23-002229-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 mei 2025.