ECLI:NL:HR:2025:730

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
22/03825
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 285.1 SrArt. 70.1.2 SrArt. 72.2 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en niet-ontvankelijkheid wegens verjaring bij verduistering en bedreiging

In deze cassatiezaak heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte behandeld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag uit 2006. De tenlastelegging betreft meervoudige verduistering en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

De kern van het cassatieberoep betrof de vraag of de absolute verjaringstermijnen voor deze feiten waren verstreken. De Hoge Raad oordeelde dat de feiten van verduistering plaatsvonden tussen 27 september 2002 en 22 september 2003 en de bedreiging op 18 september 2003. Gelet op de absolute verjaringstermijn van 12 jaar (tweemaal 6 jaar) zoals neergelegd in art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr, was het recht tot vervolging voor deze feiten inmiddels vervallen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en de eerdere uitspraak van de rechtbank Middelburg voor zover deze betrekking hadden op de verduistering en bedreiging, verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van deze feiten en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging ten aanzien van een ander bewezen verklaard feit, namelijk poging tot oplichting.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Dalebout en Posthumus, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Schnetz.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de feiten verduistering en bedreiging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03825
Datum13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 december 2006, nummer 22-000036-06, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissing van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.5.
2.3
De Hoge Raad zal wat betreft feit 1 subsidiair en feit 2 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 21 december 2005, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde (daaronder begrepen de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen) en de strafoplegging;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de strafoplegging voor het onder 3 bewezenverklaarde opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 mei 2025.