ECLI:NL:HR:2025:630

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
22/04007
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18.18 Wet milieubeheerArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bevestigd ondanks feitelijk leidinggeven aan milieuregels overtreding bij methadollading

De zaak betreft een verdachte die als terminalmanager leiding gaf aan het door een rechtspersoon begaan van een opzettelijke overtreding van voorschriften verbonden aan een milieuvergunning. Het incident speelde zich af tijdens de belading van een tankwagon met methadol in een haven, waarbij veiligheidsvoorschriften werden overtreden.

In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken. Het hof stelde vast dat de verdachte feitelijk leiding gaf aan de overtreding, ondanks tegenstand van medewerkers die de onveiligheid benadrukten. De verklaring van een getuige, die door het hof was gedenatureerd, werd niet als bewijs gebruikt. Het hof concludeerde dat de verdachte verantwoordelijk was voor het opzettelijk overtreden van de vergunningsvoorschriften.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet leiden tot cassatie. De Hoge Raad bevestigde de bewijsoverwegingen en het oordeel van het hof. Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, werd geen straf of maatregel opgelegd, zodat geen verdere gevolgen aan de termijnoverschrijding werden verbonden.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de uitspraak van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd zonder strafoplegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04007 E
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 25 oktober 2022, nummer 23-000138-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.N.G.M. Starmans bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde.
3.2
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 5.2. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof.
3.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.