ECLI:NL:HR:2025:604
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 8 november 2024 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, een termijn die eindigde op 20 december 2024. Ondanks deze waarschuwing heeft belanghebbende het verzuim niet hersteld, ook niet na het indienen van drie aanvullende geschriften op 11 april 2025, die door de Hoge Raad niet in aanmerking zijn genomen.
Daarom heeft de Hoge Raad, op grond van artikel 6:6 Awb Pro, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 17 april 2025 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden en het niet herstellen van het verzuim binnen de gestelde termijn.