Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:590

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
23/04811
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 288 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in medeplegen gekwalificeerde doodslag bij ripdeal

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van gekwalificeerde doodslag bij een ripdeal in Schiedam in 2019. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte eerder veroordeeld, waarna cassatie werd ingesteld door de verdachte.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het hof niet tot vernietiging van het arrest leiden. De Hoge Raad hoeft zijn oordeel niet te motiveren omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het beroep. De overschrijding was echter beperkt, zodat geen verdere rechtsgevolgen werden verbonden aan deze termijnoverschrijding.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en daarmee het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het hof in de zaak van medeplegen gekwalificeerde doodslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04811
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 december 2023, nummer 22-003009-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.B.M. Poppelaars bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.