Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:585

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
22/02874
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231b SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in misbruik persoonsgegevens zaak

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens misbruik van identificerende persoonsgegevens door het versturen van e-mails onder de naam van een ander, in strijd met artikel 231b Sr. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, met een vermindering van de straf conform de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte onvoldoende waren om het arrest geheel te vernietigen en dat het hof zich voldoende had voorgelicht om te oordelen zonder nader onderzoek.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, besloot de Hoge Raad ambtshalve tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 160 uur, met een subsidiaire hechtenis van 80 dagen, naar respectievelijk 144 uur taakstraf en 72 dagen hechtenis.

Het arrest werd op 22 april 2025 gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd van 160 naar 144 uur en de vervangende hechtenis van 80 naar 72 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02874
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2022, nummer 21-003049-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.T.E. Vis bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 144 uren beloopt, subsidiair 72 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.