Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 september 2024. De verdachte werd verdacht van belaging van zijn ex-partner, een strafbaar feit onder artikel 285b lid 1 Sr. Het hof sprak ontslag van alle rechtsvervolging uit voor dit feit en legde daarnaast TBS met dwangverpleging op.
De verdediging had onder meer betwist of de oplegging van TBS met dwangverpleging noodzakelijk was, mede in verband met het onderzoek van gegevensdragers van de aangever. De Hoge Raad heeft overwogen dat het hof niet expliciet hoefde te reageren op dit (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging, omdat de klachten niet tot vernietiging konden leiden.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, en de Hoge Raad sloot zich hierbij aan. De reactie van de verdachte zelf op de conclusie werd niet in aanmerking genomen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot vernietiging van het arrest kon leiden en dat motivering van dit oordeel niet nodig was in het kader van artikel 81 lid 1 RO Pro.
Het arrest werd op 3 juni 2025 gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Röttgering en Posthumus. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het arrest van het hof met ontslag van alle rechtsvervolging en oplegging van TBS met dwangverpleging blijft in stand.