Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
3 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een zedenzaak waarin de verdachte, een 38-jarige man, werd veroordeeld voor ontucht met zijn 11-jarige tweelingdochters. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had hem hiervoor eerder veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij hij onder meer klaagde over het bewijsminimum en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat het bewijs, waaronder de verklaringen van de minderjarige aangeefsters, voldoende was om tot een veroordeling te komen. De Hoge Raad benadrukte het toepasselijke bewijsminimum en de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in zedenzaken.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers en raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus op 3 juni 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor ontucht met minderjarige tweelingdochters.