Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 april 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd ervan verdacht op 2 juni 2009 in Nederland samen met anderen een skimapparaat voorhanden te hebben gehad, waarvan hij wist dat het bestemd was voor het plegen van een misdrijf zoals omschreven in artikel 232 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Hij had in een coffeeshop met onbekende personen afgesproken een tas met onbekende inhoud te vervoeren van Amsterdam naar Breda, waarvoor hij € 1.000 zou ontvangen. Ondanks zijn vraag of er drugs in de tas zaten en het ontkennende antwoord, vervoerde hij de tas, een flinke rugzak, in een door hem bestuurde auto.
Het hof oordeelde dat verdachte zich bewust had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de tas een illegaal voorwerp, zoals een skimapparaat, bevatte. Door het vervoeren zonder nadere controle of informatie te vragen, aanvaardde hij willens en wetens die kans. Het hof verwierp het verweer dat het opzet specifiek moest zien op het bewust aanvaarden van de kans dat het een skimapparaat betrof. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
De redelijke termijn voor het cassatieberoep was overschreden, maar aangezien geen straf of maatregel werd opgelegd, verbond de Hoge Raad daaraan geen rechtsgevolg. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 22 april 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het opzettelijk voorhanden hebben van een skimapparaat bestemd voor een misdrijf.