Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 25 maart 2025 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 december 2022 in een zaak betreffende mishandeling en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing.
De klachten van de verdachte over de bewijsvoering, waaronder het bewijsminimum en de beoordeling van WhatsApp-berichten tussen de aangeefster en verdachte, zijn door de Hoge Raad beoordeeld maar niet gegrond verklaard. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren, waarvan twintig voorwaardelijk, ziet de Hoge Raad hiervan af om verdere rechtsgevolgen te verbinden.
Het beroep wordt derhalve verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde taakstraf blijft in stand.