Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over een economische overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) door een rechtspersoon. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof oordeelde dat sprake was van een overtreding van de meldplicht volgens artikel 47 Wvgs Pro, omdat een ongeval had plaatsgevonden dat gevaar voor de openbare veiligheid kon opleveren.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie leidt. De klacht dat het hof kennelijk had geoordeeld dat alleen de inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan beoordelen of een tank, die door chauffeur en berger als onbeschadigd was vastgesteld, verplaatst en geborgen mag worden, berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 3.500 naar € 3.150. Het beroep wordt verder verworpen. Hiermee blijft de bewezenverklaring van het hof in stand, maar wordt de strafmaat aangepast.
Uitkomst: Geldboete verminderd van €3.500 naar €3.150, overige cassatieklachten verworpen.