Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
8 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake ontucht gepleegd door een zorgcoach jegens een cliënte. De verdachte werd door het hof veroordeeld op basis van artikel 249 lid 2 sub Pro 3 van het oude Wetboek van Strafrecht, waarbij de zorgrelatie en de daaruit voortvloeiende afhankelijkheid van de cliënte centraal stonden.
In cassatie stelde de verdediging onder meer vragen over de bewijsvoering, met name of het hof volstaan kon met een opsomming van aanvullende bewijsmiddelen zonder deze inhoudelijk uit te werken, en over de vraag of de zorgrelatie en afhankelijkheid voldoende waren vastgesteld. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdediging niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat het hier niet ging om vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.