Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 5,5 kilogram hennep in een auto, in strijd met artikel 3.C van de Opiumwet. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij hij onder meer het ontbreken van een machtiging en toestemming voor de doorzoeking van de auto aanvoerde.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat het hof terecht heeft geconcludeerd dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld op het moment van de staandehouding en ondervraging, zoals bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat bij verdenking van een Opiumwetdelict geen toestemming vereist is voor de doorzoeking van de auto.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om het arrest van het hof te vernietigen en wees het cassatieberoep af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers en raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans op 18 februari 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij de fouillering en doorzoeking als rechtmatig worden beoordeeld.