ECLI:NL:HR:2025:284

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
23/00858
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.C OpiumwetArt. 27 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid fouillering en doorzoeking bij hennepbezit

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de fouillering van de verdachte en de doorzoeking van zijn auto, waarbij ruim 5,5 kilogram hennep werd aangetroffen, rechtmatig waren. Het hof Den Haag oordeelde dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond ten tijde van de staandehouding en ondervraging, en dat voor de doorzoeking van de auto geen toestemming of machtiging vereist was gezien de verdenking van een Opiumwetdelict.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de fouillering en doorzoeking onrechtmatig waren vanwege het ontbreken van een machtiging en toestemming. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest van het hof. Volgens de Hoge Raad was het niet nodig om de vragen over de rechtmatigheid nader te motiveren, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het cassatieberoep is derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof Den Haag van 23 februari 2023 in stand blijft. Dit bevestigt de rechtmatigheid van de opsporingshandelingen in het kader van het Opiumwetdelict en het medeplichtigheidsaspect van het bezit van hennep.

De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 18 februari 2025, waarbij de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Kuijer en Kooijmans betrokken waren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00858
Datum18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 februari 2023, nummer 23-000631-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.W. Koevoets, advocaat in Terneuzen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 februari 2025.