Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het opzettelijk voorhanden hebben van limonades en vruchtensappen uit Luxemburg zonder aangifte verbruiksbelasting. De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter beboet. De verdediging stelde dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, omdat het verhoor door de douane in 2017 als beginpunt moest gelden, terwijl het vonnis pas in 2021 viel.
Het hof oordeelde echter dat de redelijke termijn pas begon bij de betekening van de dagvaarding en dat er geen overschrijding was. De Hoge Raad stelde vast dat het hof niet had gemotiveerd waarom het verhoor door de douane niet als aanvang van de redelijke termijn kon gelden, waardoor het oordeel niet begrijpelijk was.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de hoogte van de geldboete betrof en matigde de boete van €1.500 naar €1.350. Tevens werd de duur van de vervangende hechtenis verminderd naar 23 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. De boete mag in twaalf maandelijkse termijnen worden voldaan.
Uitkomst: De geldboete is verminderd van €1.500 naar €1.350 en de vervangende hechtenis tot 23 dagen.