Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
Klager had beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin zijn klaagschrift tot teruggave van een inbeslaggenomen telefoon en personenauto ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van dit beroep.
Uit door de griffie ingewonnen inlichtingen bleek dat het openbaar ministerie op 23 september 2024 de teruggave van de inbeslaggenomen telefoon aan klager had bevolen en dat de telefoon daadwerkelijk was teruggegeven. Hierdoor was het beslag op de telefoon beëindigd, zodat het cassatieberoep voor zover het de telefoon betreft niet-ontvankelijk is.
Daarnaast was er een uitspraak van de politierechter van 5 december 2024 in de strafzaak tegen klager waarin over het beslag op de personenauto was beslist. Dit maakte dat klager geen belang meer had bij het beroep tegen de eerdere beschikking over het klaagschrift betreffende de auto. Daarom werd het beroep ook voor zover het de auto betreft niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie geheel niet-ontvankelijk te verklaren, waarmee de eerdere beslissingen ongewijzigd blijven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens beëindiging van het beslag op de telefoon en beslissing van de strafrechter over het beslag op de auto.