Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte was veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs en een taakstraf opgelegd kreeg. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde hechtenisstraf, die het hof verving door een taakstraf van 28 uren. Namens de verdachte werd aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging omdat de verdachte niet bekend was met de voorwaardelijke veroordeling. Het hof heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 361a Sv in samenhang met artikelen 6:6:5 lid 1 en 6:6:21 lid 1 Sv de rechter de beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf met redenen moet omkleeden. Het hof heeft nagelaten deze motivering te geven, waardoor het arrest op dit punt niet toereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de beslissing op de tenuitvoerleggingsvordering betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.
Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar acht dit niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg gezien de aard van de opgelegde taakstraf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke hechtenis wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug.