Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, waarin de aanvrager was veroordeeld voor verkrachting tot een gevangenisstraf van 540 dagen, waarvan 374 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De aanvrager, vertegenwoordigd door advocaat J.J. Bronsveld, heeft verzocht om herziening op basis van nieuwe feiten, waaronder voicemailberichten van het slachtoffer en een rapportage van een psychiater die niet eerder beschikbaar was gesteld.
De Hoge Raad heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) alleen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was, kan dienen als grondslag voor herziening. Artikel 460 lid 2 Sv vereist dat de aanvraag tot herziening de gronden vermeldt waarop deze berust en dat bij de aanvraag stukken worden gevoegd ter onderbouwing van die gronden.
In dit geval zijn er, ondanks de geboden gelegenheid aan de raadsman, geen stukken gevoegd bij de aanvraag. Dit heeft geleid tot de conclusie dat de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling kan nemen, conform artikel 460 lid 2 en 465 lid 1 Sv. De Hoge Raad heeft derhalve de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk verklaard.