Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte, geboren in 1971, had beroep ingesteld tegen de beslissing van het hof, dat verzuimd had om de aftrek van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht te bevelen ten aanzien van de taakstraf die naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op grond van artikel 80a RO. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij de gegrondbevinding van de klacht, zoals uiteengezet in de conclusie van de advocaat-generaal. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, waarbij werd opgemerkt dat het verzuim van het hof niet leidde tot cassatie, omdat het een onmiddellijk kenbare fout betrof die eenvoudig hersteld kon worden door de rechter. De beslissing van de Hoge Raad benadrukt het belang van de juiste toepassing van de aftrek van voorarrest op de taakstraf, en dat de resterende duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht op de taakstraf, conform de gebruikelijke maatstaf van 2 uren per dag. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is openbaar uitgesproken.