ECLI:NL:HR:2025:1769

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
23/02686
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 209 SrArt. 337 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
12 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen uitvoeren valse Britse muntstukken en vermindert straf

De Hoge Raad heeft op 25 november 2025 arrest gewezen in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het produceren, opslaan, vervoeren en uitvoeren van grote hoeveelheden valse Britse 1-pond muntstukken.

De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip 'uitvoeren' in artikel 209 Sr Pro. De Hoge Raad verduidelijkte dat 'uitvoeren' niet beperkt is tot het feitelijk verlaten van het Nederlandse grondgebied, maar ook gedragingen omvat die gericht zijn op bewegingen landuitwaarts. Daarmee werd een te beperkte interpretatie van het hof verworpen.

De Hoge Raad verwierp verder alle overige klachten van de verdachte en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen. Wel werd de straf verminderd van 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 9 maanden voorwaardelijk) naar 23 maanden en 2 weken, vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

De uitspraak onderstreept het belang van een ruime interpretatie van uitvoerhandelingen bij strafbare feiten met valse muntspeciën en bevestigt de aansprakelijkheid van medeplegers die nauw en bewust samenwerken, ook als hun bijdrage niet intellectueel of materieel zwaarwegend is.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt medeplegen uitvoeren valse Britse muntstukken en vermindert de straf wegens termijnoverschrijding tot 23 maanden en 2 weken gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02686
Datum25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023, nummer 23-002527-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen door de verdachte van het ‘uitvoeren’ van valse Britse muntstukken van één pond.
2.2
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [plaats] en [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 209 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘uitvoeren’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3.2
Artikel 209 Sr Pro luidt:
“Hij die opzettelijk als echte en onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.3.3
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 mei 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten (eurovalsemunterij), Stb. 2001, 234, is voor de betekenis van het begrip ‘uitvoeren’ verwezen naar artikel 337 Sr Pro (Kamerstukken II 2000/01, 27494, nr. 3, p. 4-5). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 25 februari 1999, Stb. 1999, 110, waarbij artikel 337 Sr Pro is uitgebreid, houdt over het begrip ‘uitvoeren’ in deze bepaling in:
“In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om wat betreft de uitbreiding van de strafbaarstelling van gedragingen met nagemaakte of door piraterij verkregen goederen aan te sluiten bij de begrippen «invoer», «doorvoer» en «uitvoer» zoals voorkomende in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de memorie van toelichting van de wijziging van het Wetboek van Strafrecht inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen (kamerstukken II 1990/91, 22 268, nr. 3, blz. 18) duiden de begrippen «invoeren» en «doorvoeren» op het binnen, respectievelijk door het grondgebied van Nederland brengen. Volledigheidshalve kan daaraan nog worden toegevoegd dat derhalve met de term «uitvoer» op het buiten grondgebied van Nederland brengen wordt gedoeld. Strafrechtelijk optreden met het oog op de bestrijding van namaak en piraterij wordt hierdoor reeds mogelijk bij bewegingen landinwaarts of landuitwaarts en staat in zekere zin los van de in de verordening beschreven procedures.”
(Kamerstukken 1996/97, 25474, nr. 3, p. 4.)
2.4
Onder ‘uitvoeren’ als bedoeld in artikel 209 Sr Pro valt het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de in die bepaling bedoelde muntspeciën en munt- en bankbiljetten. Dat kan, gelet op de onder 2.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis, zich ook voordoen bij gedragingen die zijn gericht op “bewegingen landuitwaarts”. Voor zover het cassatiemiddel ervan uitgaat dat van ‘uitvoeren’ als bedoeld in artikel 209 Sr Pro pas sprake kan zijn als de muntspeciën of munt- of bankbiljetten het grondgebied van Nederland al hebben verlaten, berust het op een te beperkte en dus onjuiste rechtsopvatting. Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 2 weken, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 november 2025.