ECLI:NL:HR:2025:1713

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
23/02549
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 11.2 OpiumwetArt. 11.5 OpiumwetArt. 3.C OpiumwetArt. 36d Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen verkoop en bezit hennepstekken en -toppen

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk verkopen van een grote hoeveelheid hennepstekken en het aanwezig hebben van hennepstekken en henneptoppen, waarbij het bedrijf van de verdachte als dekmantel werd gebruikt.

In cassatie stelde de verdachte meerdere klachten in, onder meer over het bewijs van opzet en medeplegen en de vraag of het hof terecht oordeelde dat de hennep zich in zijn machtssfeer bevond. Ook werd de onttrekking aan het verkeer van diverse apparatuur en groeimiddelen aan de orde gesteld.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van verkoop en bezit van hennepstekken en -toppen met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02549
Datum18 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juni 2023, nummer 20-001908-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.P.H. Brinkman bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2025.