Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede en het vierde cassatiemiddel
5.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof primair bewezenverklaard voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting namens meerdere belastingplichtigen over de jaren 2010 tot en met 2013. Het hof kwalificeerde de verdachte als pleger van het delict op grond van artikel 69 lid 2 AWR Pro, ondanks dat hij niet de belastingplichtige zelf was.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat een aangifte slechts als 'bij belastingwet voorziene aangifte' geldt indien deze wordt gedaan door degene op wiens naam de aangifte betrekking heeft of diens vertegenwoordiger conform artikelen 42 tot en met 44 AWR. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat de verdachte als pleger kon worden aangemerkt, omdat hij niet aan deze voorwaarden voldeed.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op het plegerschap en de strafoplegging en wijst de zaak terug aan het hof voor een nieuwe beoordeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. Tevens wijst de Hoge Raad op andere strafrechtelijke mogelijkheden voor aansprakelijkheid bij betrokkenheid anders dan als pleger, zoals medeplichtigheid en valsheid in geschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor het plegerschap en strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.