Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijs tegen verdachte, die werd beschuldigd van langdurig seksueel misbruik van zijn stiefkleindochter, voldoende was gemotiveerd en of het bewijsminimum volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro was gehaald.
De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde anders en veroordeelde hem. De verdediging stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met name gericht op de motivering van het bewijs en de vraag of het hof zich niet uitsluitend op één getuige had gebaseerd.
De Hoge Raad overwoog dat de wijze waarop de verklaring van de getuige tot stand kwam, steun bood aan de aangifte en dat de aanvankelijke ontkenning van de aangeefster in de context van de 'disclosure' niet leidde tot onvoldoende bewijs. Daarnaast vond de verklaring van de aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen, waaronder specifieke details over pijn veroorzaakt door de nagels van verdachte.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor langdurig seksueel misbruik.