Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1449

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
23/03599
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 420bis.1.a SrArt. 420bis.1.b SrArt. 420ter SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor gewoontewitwassen ondanks termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor gewoontewitwassen van grote sommen geld en horloges, op grond van artikel 420bis.1.a en 420bis.1.b jo. 420ter Sr. Het hof oordeelde dat verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring had gegeven over de herkomst van verzekeringsuitkeringen en horloges. Tevens stelde het hof vast dat het aangeleverde Excel-bestand alleen contante stortingen bevatte die reeds als verklaard waren aangemerkt en dus buiten het in het tll. opgenomen bedrag vielen.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, met een eventuele ambtshalve vernietiging en vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, maar vanwege de beperkte mate van overschrijding geen aanleiding bestond om hieraan rechtsgevolgen te verbinden. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat verdachte veroordeelde voor gewoontewitwassen blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03599
Datum7 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, van 12 september 2023, nummer 23-002072-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel ambtshalve vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering van de duur daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 oktober 2025.