Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
28 januari 2025.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een in Canada opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren wegens het afpersen van een minderjarig meisje met seksueel getinte webcambeelden. De veroordeelde was eerder in Nederland veroordeeld voor andere feiten, waarvoor hij een gevangenisstraf van tien jaren en 243 dagen had gekregen.
De verdediging stelde dat artikel 63 Sr Pro van toepassing was, omdat de feiten in Canada waren gepleegd voordat de Nederlandse veroordeling werd uitgesproken, en dat de straf daarom op nihil moest worden gesteld. De rechtbank verwierp dit standpunt en stelde een gevangenisstraf van zes jaren vast, lager dan de Canadese straf maar passend geacht.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 63 Sr Pro niet van toepassing is in omzettingsprocedures op grond van artikel 31 WOTS Pro en het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). De straf die wordt opgelegd moet overeenkomen met het buitenlandse strafbare feit en er bestaat geen verplichting om rekening te houden met eerdere Nederlandse veroordelingen voor andere feiten.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in cassatie. Het beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de omzetting van de Canadese gevangenisstraf in een Nederlandse gevangenisstraf van zes jaren.