ECLI:NL:HR:2025:1317

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
18 september 2025
Zaaknummer
24/01877
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak doodslag echtgenote in Thailand bevestigd door Hoge Raad

De zaak betreft het overlijden van de echtgenote van de verdachte in 2007 in Thailand, waarbij het lichaam werd gedumpt in een beerput naast hun woning. De verdachte vertrok daarna met hun zoon uit Thailand. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken van doodslag.

Het gerechtshof Den Haag oordeelde dat het slachtoffer door enig gewelddadig handelen van de verdachte om het leven is gebracht, maar kon niet vaststellen wat dat concrete geweldshandelen inhield. De verklaring van de verdachte werd als ongeloofwaardig beoordeeld, maar niet als kennelijk leugenachtig, en dit oordeel werd betrokken bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van andere verklaringen.

In cassatie klaagde de verdachte over de bewijsvoering en motivering van het hof, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde het oordeel van het hof. De advocaat-generaal had wel voorgesteld de strafduur te verminderen, maar de Hoge Raad beperkte zich tot de beoordeling van het bewijs en motivering. Tevens constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat dit tot andere rechtsgevolgen leidde.

Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatieberoep en bevestigde veroordeling voor doodslag met behoud van strafduur.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01877
Datum23 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 mei 2024, nummer 22-005858-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 en 6.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 september 2025.