Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 september 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van meerdere hoogbejaarde vrouwen die in hetzelfde wooncomplex woonden. De rechtbank sprak verdachte vrij ten aanzien van één slachtoffer. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen van drie slachtoffers op essentiële punten overeenkwamen en dat de modus operandi van verdachte vergelijkbaar was, waardoor schakelbewijs kon worden toegepast.
Het hof stelde vast dat verdachte steeds op vergelijkbare wijze contact zocht met de vrouwen door boodschappen te doen of klusjes te verrichten, en zich vervolgens in beslotenheid aan hen opdrong door hen onverhoeds bij hun borsten te grijpen. Dit leidde tot een bewezenverklaring op basis van de schakelbewijsconstructie en het bewijsminimum zoals bedoeld in art. 342 Sv Pro.
De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten aan de bewezenverklaring, waaronder over de toepassing van het schakelbewijs en het bewijsminimum. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat de redenering omtrent de schakelbewijsconstructie niet onbegrijpelijk was. Het cassatiemiddel werd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Den Haag en verwierp het cassatieberoep van verdachte. Het vonnis werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 16 september 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van feitelijke aanranding van hoogbejaarde vrouwen.