Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 juli 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake btw-fraude met betrekking tot de levering van schrootmateriaal aan Britse vennootschappen in de periode van april 2016 tot juli 2017. Het hof had vastgesteld dat de vennootschap [A] B.V. valselijke aangiften omzetbelasting had ingediend met onjuiste bedragen voor intracommunautaire leveringen, terwijl de feitelijke prestaties door een andere vennootschap ([B] B.V.) werden verricht.
Het hof sprak verdachte primair vrij van feitelijk leidinggeven aan deze valsheid in geschrift, omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat hierdoor te weinig omzetbelasting was voldaan. Subsidiair stelde het hof vast dat de aangiften valselijk waren opgemaakt met het oogmerk deze als echt te gebruiken, maar deze subsidiaire bewezenverklaring leidde niet tot een veroordeling van verdachte.
In cassatie klaagt verdachte over de bewijsoordelen en de kwalificatie van het bewezenverklaarde, maar de Hoge Raad volgt de conclusies van het hof en de advocaat-generaal en wijst het beroep af. De Hoge Raad bevestigt dat verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt vanwege zijn rol als middellijk aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V., maar dat het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Het arrest is gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 8 juli 2025 en vormt een belangrijke uitspraak over de bewijslast en kwalificatie bij complexe btw-fraudezaken met schijntransacties en missing traders.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak van verdachte voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift bij btw-fraude.