ECLI:NL:HR:2025:1086

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
23/02480
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen witwassen en overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake medeplegen van witwassen van geldbedragen afkomstig uit WhatsAppfraude. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Tevens werd de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding besproken, waarbij de Hoge Raad het arrest van het hof bevestigde.

Een cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen.

Desondanks achtte de Hoge Raad, gelet op de geringe straf, geen aanleiding om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden. Het beroep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen witwassen blijft in stand ondanks overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02480
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 juni 2023, nummer 21-004729-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.