Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1031

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
23/01741
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 420ter SrArt. 420.1.b SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak medeplegen gewoontewitwassen

In deze cassatieprocedure stond de strafzaak tegen verdachte centraal wegens medeplegen van gewoontewitwassen van ruim € 200.000. Het hof Amsterdam had verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De advocaat van verdachte stelde cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over de bewijskracht van verklaringen en de herkomst van contante uitgaven.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het bewijs en oordeelde dat deze niet tot vernietiging konden leiden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.

Dit leidde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging. De Hoge Raad verminderde de taakstraf van 240 naar 216 uren, met subsidiair 108 dagen hechtenis. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan op 1 juli 2025 door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Taakstraf verminderd van 240 naar 216 uren, met subsidiair 108 dagen hechtenis wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01741
Datum1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2023, nummer 23-001731-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 216 uren beloopt, subsidiair 108 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 juli 2025.