Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
1 juli 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het niet en onjuist doen van verschillende belastingaangiften. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten over het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden, zodat het hofarrest in stand blijft behalve voor de strafduur.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden naar zeven maanden en drie weken.
De overige klachten van de verdachte worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en wijzigt deze overeenkomstig de maatstaf voor termijnoverschrijding. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 1 juli 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht maanden naar zeven maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.