ECLI:NL:HR:2024:976

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
22/00345
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.2 AWRArt. 359.2 SvArt. 81.1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij opzettelijk onjuiste aangifte inkomstenbelasting

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangifte inkomstenbelasting, meermalen gepleegd, zoals bedoeld in art. 69.2 AWR.

De verdachte stelde diverse cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over de bewijsvoering en het fiscale standpunt. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en zag geen noodzaak tot motivering vanwege het ontbreken van belang voor rechtsontwikkeling.

Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren naar 228 uren, met een subsidiaire hechtenis van 114 dagen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd van 240 naar 228 uren en de vervangende hechtenis van 120 naar 114 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00345
Datum9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2022, nummer 21-003900-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Zilver, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ter zake van de duur van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf op basis van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep van de verdachte voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 228 uren beloopt, subsidiair 114 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2024.