Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling, eenvoudige belediging en misbruik van het alarmnummer. Het centrale geschilpunt in cassatie was de toerekenbaarheid van de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte, mede in het licht van diens beroep op ontoerekenbaarheid wegens een psychische stoornis op grond van artikel 39 Sr Pro.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, aangezien de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep van de verdachte is derhalve verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, met raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, op 2 juli 2024. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 april 2022 in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor mishandeling, eenvoudige belediging en misbruik van het alarmnummer.