Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:851

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
11 juni 2024
Zaaknummer
23/01309
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat gehuurde onroerende zaken onder voorwerpen Opiumwet vallen bij voorbereidingshandelingen productie amfetamine en MDMA

In deze strafzaak stond de vraag centraal of onroerende zaken, zoals een gehuurd bedrijfspand of opslagruimte, kunnen worden aangemerkt als 'voorwerpen' in de zin van artikel 10a lid 1 van de Opiumwet. De verdachte werd samen met een mededader ervan verdacht voorbereidingshandelingen te hebben verricht voor het vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, waaronder het huren van een bedrijfspand.

De verdediging voerde in cassatie aan dat onroerende zaken niet onder het begrip 'voorwerpen' vallen in artikel 10a Opiumwet. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze opvatting geen steun vindt in het recht, mede gelet op de wetsgeschiedenis van de bepaling. Het hof had terecht geoordeeld dat het gehuurde pand bestemd was voor het plegen van de strafbare feiten.

Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2023 in stand bleef. Hiermee is bevestigd dat ook onroerende zaken als voorwerpen kunnen worden aangemerkt in het kader van voorbereidingshandelingen voor drugsvormen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het gehuurde bedrijfspand als voorwerp in de zin van art. 10a Opiumwet kan gelden bij voorbereidingshandelingen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01309
Datum25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2023, nummer 20-000436-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van overtreding van artikel 10a van de Opiumwet voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte en zijn mededader een bedrijfspand/opslagruimte hebben gehuurd.
2.2
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te Eindhoven, gehuurd en
- een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en meerdere vaten en meerdere maatbekers en
- een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en zwavelzuur en APAA.”
2.3
Artikel 10a lid 1 Opiumwet luidt:
“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van artikel 10a lid 1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan. Die opvatting vindt – mede gelet op de wetsgeschiedenis van die bepaling, die is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.9 en 4.10 – geen steun in het recht. Het oordeel van het hof dat het door de verdachte en zijn mededader gehuurde bedrijfspand/opslagruimte bestemd was tot het plegen van feiten als bedoeld in artikel 10 lid 4 Opiumwet Pro, is ook niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 juni 2024.