Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
25 juni 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of onroerende zaken, zoals een gehuurd bedrijfspand of opslagruimte, kunnen worden aangemerkt als 'voorwerpen' in de zin van artikel 10a lid 1 van de Opiumwet. De verdachte werd samen met een mededader ervan verdacht voorbereidingshandelingen te hebben verricht voor het vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, waaronder het huren van een bedrijfspand.
De verdediging voerde in cassatie aan dat onroerende zaken niet onder het begrip 'voorwerpen' vallen in artikel 10a Opiumwet. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze opvatting geen steun vindt in het recht, mede gelet op de wetsgeschiedenis van de bepaling. Het hof had terecht geoordeeld dat het gehuurde pand bestemd was voor het plegen van de strafbare feiten.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2023 in stand bleef. Hiermee is bevestigd dat ook onroerende zaken als voorwerpen kunnen worden aangemerkt in het kader van voorbereidingshandelingen voor drugsvormen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het gehuurde bedrijfspand als voorwerp in de zin van art. 10a Opiumwet kan gelden bij voorbereidingshandelingen.