ECLI:NL:HR:2024:802

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
31 mei 2024
Zaaknummer
24/01149
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b.1 SrArt. 457.1.c Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onjuiste interpretatie minder zware strafbepaling bij belaging

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in Zeeland-West-Brabant, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor belaging tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een vrijheidsbeperkende maatregel.

De aanvrager stelde dat de politierechter een minder zware strafbepaling had moeten toepassen indien bekend was geweest dat klachten tegen Reclassering Nederland en een medewerkster van Maatschappelijk Werk gegrond waren bevonden. De Hoge Raad oordeelde echter dat onder een minder zware strafbepaling in de zin van artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv een strafbepaling met een lagere strafbedreiging moet worden verstaan, en niet het opleggen van een andere of geen sanctie.

Hierdoor werd het verzoek tot herziening als kennelijk ongegrond verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee de oorspronkelijke veroordeling en wees het verzoek af. Dit arrest benadrukt de strikte interpretatie van de term minder zware strafbepaling in herzieningsprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onjuiste interpretatie van minder zware strafbepaling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01149 H
Datum4 juni 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 augustus 2020, nummer 02-177243-19, ingediend door M.J.N. Vermeij, advocaat te Oegstgeest,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de aanvrager veroordeeld voor belaging tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaren.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
In de aanvraag wordt aangevoerd dat de politierechter een minder zware strafbepaling zou hebben toegepast, als hij bekend was geweest met de omstandigheid dat klachten van de aanvrager tegen Reclassering Nederland en een medewerkster van Maatschappelijk Werk […] gegrond zijn bevonden. In de aanvraag wordt echter miskend dat onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling met een minder zware strafbedreiging. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juni 2024.