Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
4 juni 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van uitvoer van MDMA en cocaïne en medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van meerdere drugssoorten.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake was van onrechtmatig binnentreden en doorzoeken van de woning zonder redelijk vermoeden van schuld en stelde bewijsklachten aan het hofgebruik. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging konden leiden en gaf geen nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot 23 maanden en 2 weken, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot 23 maanden en 2 weken wegens overschrijding redelijke termijn.