Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
28 mei 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam betreffende diefstal met geweld en diefstal. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken vanwege een bewijsklacht over de plaats van het delict. Het hof verklaarde de diefstallen bewezen tijdens een treinreis van Rotterdam naar Amsterdam, maar kon niet exact de plaats bepalen. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet tot cassatie hoeft te leiden, omdat na terugwijzing de tenlastelegging kan worden aangepast zodat de feiten in Amsterdam of in Nederland zijn gepleegd.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofsvonnis uitsluitend voor de strafduur, met vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late inzending van stukken door het hof, wat een vermindering van zes maanden straf rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofsvonnis alleen voor de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot vijf maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd bevestigd dat de bewezenverklaring standhoudt ondanks de onduidelijkheid over de exacte plaats van de diefstallen binnen het traject.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.