ECLI:NL:HR:2024:699

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
14 mei 2024
Zaaknummer
22/01508
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.1.b WaboArt. 1b.5 WoningwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ongeoorloofd rooien en sloop zonder vergunning

De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een rechtspersoon die feitelijk leiding gaf aan het zonder vergunning rooien van een groot aantal volwassen bomen en het zonder sloopmelding verwijderen van een snijerij op het terrein van een voormalige glasfabriek in Tiel. Het hof oordeelde dat het onderscheid tussen het vellen van bomen en het rooien van boomstronken kunstmatig is en niet afdoet aan de strekking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Tevens stelde het hof vast dat het verwijderen van de snijerij als sloopwerkzaamheden van een bouwwerk kan worden aangemerkt.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het rooien van bomen niet bewezen kon worden verklaard en dat er geen sprake was van sloopwerkzaamheden. De Hoge Raad verwierp deze klachten en zag geen aanleiding tot vernietiging van het arrest van het hof. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot andere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af. De uitspraak benadrukt het belang van vergunningen bij het rooien van bomen en het uitvoeren van sloopwerkzaamheden en bevestigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen die hieraan leiding geven zonder de vereiste vergunningen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het zonder vergunning rooien van bomen en sloop zonder melding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01508 E
Datum14 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 13 april 2022, nummer 21-002792-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde taakstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 mei 2024.