Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 mei 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift. Het hof oordeelde dat verdachte opzettelijk onjuiste WW-aanvragen heeft ingediend namens anderen, in strijd met de waarheid.
In cassatie richtte het beroep zich op de vraag of verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de WW-aanvragen en of hij het oogmerk had dat deze aanvragen als echt en onvervalst zouden worden gebruikt. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn beslissing niet uitvoerig, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift blijft in stand.