Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor vernieling van ruiten van een deurwaarderskantoor en een politiebureau. Tevens ging het om de vraag of het hof een vrijheidsbeperkende maatregel, een gebiedsverbod, voor een langere periode dan wettelijk toegestaan mocht opleggen nadat eerdere uitspraken deze maatregel dadelijk uitvoerbaar hadden verklaard.
De verdachte stelde in cassatie diverse klachten aan de orde, onder meer over de duur van het gebiedsverbod en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest bevestigt daarmee de rechtmatigheid van het hof in het opleggen en dadelijk uitvoerbaar verklaren van de vrijheidsbeperkende maatregel binnen de wettelijke kaders. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt het hofarrest over vernieling en gebiedsverbod.