Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 april 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in een auto, in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie (WWM). De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten in, waaronder over de bewijskracht en het zogenaamde Meer en Vaart-verweer, dat een alternatief scenario en de wetenschap van en beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie betreft.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het beroep in cassatie is derhalve verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans op 26 april 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.