Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte had een ander die op de grond lag meermalen met kracht tegen het hoofd en lichaam geschopt.
De verdediging klaagde in cassatie over het oordeel van het hof omtrent het opzet op doodslag en de aanmerkelijke kans dat het gedrag van de verdachte tot de dood zou leiden. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om nadere motivering te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is daarom verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink en raadsheren Buruma en Trotman en uitgesproken op 16 april 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen poging tot doodslag blijft in stand.