ECLI:NL:HR:2024:552

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
22/01035
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 41 lid 2 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep cassatie poging tot doodslag na vechtpartij

De zaak betreft een poging tot doodslag waarbij verdachte tijdens een vechtpartij een ander minutenlang tegen het hoofd trapte terwijl het slachtoffer bewusteloos op straat lag. De feiten speelden zich af nadat verdachte door het slachtoffer uit diens woning was gezet en met een staafje op zijn hoofd was geslagen.

Het hof oordeelde dat het gedrag van verdachte niet het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging en dat het langdurig en krachtig trappen tegen het hoofd niet noodzakelijk was voor zelfverdediging. Het hof kwalificeerde dit handelen als aanvallend en niet in redelijke verhouding tot de situatie, waardoor het beroep op noodweerexces werd verworpen.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, maar zag geen aanleiding voor verdere rechtsgevolgen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot doodslag blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01035
Datum16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 maart 2022, nummer 20-002882-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W. Römelingh, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2024.