ECLI:NL:HR:2024:451

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
19 maart 2024
Zaaknummer
22/03775
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 288 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf medeplegen poging gekwalificeerde doodslag bij ripdeal

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag tijdens een ripdeal in Amsterdam in 2019. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 91 maanden.

De Hoge Raad beoordeelde de cassatiemiddelen, waaronder een bewijsklacht omtrent voorwaardelijk opzet en het bijkomend oogmerk van de verdachte bij het schieten op het slachtoffer. Tevens werd onderzocht of het hof het recht op een eerlijk proces had geschonden door de herkenning van de verdachte door het slachtoffer niet als bewijs te gebruiken.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof terecht het bewijs heeft beoordeeld. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de straf verminderd moest worden.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf van 91 naar 90 maanden. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 91 naar 90 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03775
Datum19 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 oktober 2022, nummer 23-000534-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 91 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 90 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2024.