ECLI:NL:HR:2024:440

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
15 maart 2024
Zaaknummer
22/01286
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 69 AWRArt. 412.1 SvArt. 258.2 SvArt. 81.1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak valsheid in geschrift en belastingfraude door rechtspersoon

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr) en meermalige belastingfraude (art. 69 AWR Pro) gepleegd door een rechtspersoon.

Het hof had onder meer een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Daarbij werden de LOVS oriëntatiepunten toegepast, met inachtneming van het benadelingsbedrag. Het hof wees een verzoek tot nader onderzoek naar de toepassing van elektronisch toezicht als bijzondere voorwaarde af en betrok in de strafmotivering dat de verdachte inmiddels opnieuw als ondernemer actief was in de uitzendbranche.

De verdachte stelde diverse cassatiemiddelen aan de orde, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het beroep werd derhalve verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Buruma en Röttgering, op 26 maart 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01286
Datum26 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 maart 2022, nummer 20-002385-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Gijsen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 maart 2024.